Mol & Meijer


C. Meijer vermeldt aan het einde van zijn geschrift "De Zaanse Walvisvaart 1650-1800":
"Geraadpleegde Bronnen: C. Mol - Uit de geschiedenis van Wormer"
Het is maar wat men onder "raadplegen" verstaat.....
Dit is meer "gewoon overschrijven".
C. Mol, 1966, blz. 109...C. Meijer, 1983, blz. 24...
Tot slot nog iets over de Beschuittoren, die in 1620 in het westeinde van het dorp werd gebouwd, speciaal met het doel het brandgevaar vanwege de vele bakkerijen te beperken. Het luiden van de klok, 's avonds om kwart voor zes, betekende voor de bakkers het sein dat een kwartier later de ovens moesten zijn gedoofd, waarna men eerst te midder- nacht weer met bakken mocht beginnen. Het was een maatregel, waaraan van dorpswege scherp de hand werd gehouden en gelet op het doel, is het aannemelijk dat de bouw van de toren niet van de gezamenlijke bakkers is uitgegaan, maar door de plaatselijke overheid werd ondernomen. De klok van de dorpskerk in het oosteinde kon, mede door de overheersende westenwinden, in het westeinde niet worden gehoord. Voor de bediening van de klok en het uurwerk werd door de vroedschap een torenwachter aangesteld, die in het nabij gelegen torenhuis woonde. Ook na het verval van de beschuitbakkerij bleef de toren zijn nut behouden, want volgens een instructie van 1807 moest de klok iedere zondag, 's morgens om half negen en 's middags om half een, gedurende vijf minuten en voorts bij bijzondere gebeurtenissen, op order van het dorpsbestuur en in geval van brand worden geluid. Hiervoor ontving de "toren oppasser" 80,- 's jaars, hoewel hij in 1835, toen de dorpskas er slecht bij stond met 20,- genoegen moest nemen.
Er bestaat maar n afbeelding van de toren, met de oorspronkelijke hoge en zeer fraaie spits, zoals die in 1789 werd getekend en in het Zaanlandse jaarboekje van 1854 werd afgedrukt. In 1805 werd deze spits door het plompe houten bovenstuk vervangen, dat wij kennen van foto's uit het einde van de vorige eeuw.
De toren, die in de berm langs de wegsloot was gebouwd, was toen evenwel al bouwvallig geworden, helde aan de oostzijde 22 cm en aan de zuidzijde 15 cm over, maar kon, door voorzieningen aan de fundamenten, volgens deskundigen, behouden blijven. Behalve de hieraan verbonden kosten zou naar raming nog een bedrag van 1700,- voor het metselwerk, de vernieuwing van het houten bovenstuk en de vervanging van het versleten uurwerk nodig zijn.
Volgens de gemeenteraad zouden de kosten der restauratie de financile draagkracht van de dorpskas te boven gaan en aangezien een verzoek om subsidie van het rijk geen resultaat had, werd op 14 augustus 1894 besloten de toren af te breken. Gedeputeerde Staten, die het besluit weliswaar goedkeurden, drongen er toch op aan, met steun van particulieren te trachten de toren te behouden. Maar in de vergadering van 3 maart 1895 moest burgemeester C. Wildschut mededelen, dat wel door particulieren van elders een bedrag van 750,- was bijeengebracht, doch dat van de eigen plaatsgenoten voor dit doel weinig was te verwachten. En daarmee was het lot van de toren beslecht.
De vier gevelstenen die de toren eenmaal hebben gesierd, zijn bewaard gebleven en bevinden zich in het museum te Zaandijk. Aan de noordzijde was een steen boven de ingang ingemetseld met het beeld van prins Maurits, waarboven nog een steen met diens wapen en de naam Dirck Jacob die Ruiter. Aan de oostelijke gevel prijkte een steen met de Hollandse Tuin, de naam Pieter Cornelisse Oome en het jaartal 1620 en aan de westzijde een steen met het wapen van Wormer, waaronder de naam Willem Gerritse. De eerstgenoemde was in 1620 een der schepenen, de beide laatsten hebben toen de functie van burgemeester bekleed.
Tot slot nog iets over de Beschuittoren, die in 1620 in het westeinde van het dorp werd gebouwd, speciaal met het doel het brandgevaar vanwege de vele bakkerijen te beperken. Het luiden van de klok, 's avonds om kwart voor zes, betekende voor de bakkers het sein dat een kwartier later de ovens moesten zijn gedoofd, waarna men eerst te middernacht weer met bakken mocht beginnen. Het was een maatregel, waaraan van dorpswege scherp de hand werd gehouden en gelet op het doel, is het aannemelijk dat de bouw van de toren niet van de gezamelijke bakkers is uitgegaan, maar door de plaatselijke overheid werd ondernomen. De klok van de dorpskerk in het oosteinde kon, mede door de overheersende westenwinden, in het westeinde niet worden gehoord. Voor de bediening van de klok en het uurwerk werd door de vroedschap een torenwachter aangesteld, die in het nabij gelegen torenhuis woonde. Ook na het verval van de beschuitbakkerij bleef de toren zijn nut behouden, want volgens een instructie van 1807 moest de klok iedere zondag 's morgens om half negen en 's middags om half een, gedurende vijf minuten en voorts bij bijzondere gebeurtenissen, op order van het dorpsbestuur en in geval van brand worden geluid. Hiervoor ontving de torenoppasser 80 gulden in het jaar, hoewel hij in 1835, toen de dorpskas er slecht bij stond met 20 gulden genoegen moest nemen.
Er bestaat maar een afbeelding van de toren, met de oorspronkelijke hoge en zeer fraaie spits, zoals die in 1789 werd getekend en in het Zaanlandsche Jaarboekje van 1854 werd afgedrukt. In 1805 werd deze spits door het plompe houten bovenstuk vervangen, dat wij kennen van foto's uit het einde van de vorige eeuw.
De toren, die in de berm langs de wegsloot was gebouwd, was toen evenwel al bouwvallig geworden, helde aan de oostzijde 22 cm en aan de zuidzijde 15 cm over, maar kon, door voorzieningen aan de fundamenten, volgens dwskundigen, behouden blijven. Behalve de hieraan verbonden kosten zou naar raming nog een bedrag van 1700 gulden voor het metselwerk, de vernieuwing van het houten bovenstuk en de vervanging van het versleten uurwerk nodig zijn.
Volgens de gemeenteraad zouden de kosten der restauratie de financile draagkracht van de dorpskas te boven gaan en aangezien een verzoek om subsidie van het rijk geen resultaat had, werd op 14 augustus 1894 besloten de toren af te breken. Gedeputeerde Staten, die het besluit weliswaar goedkeurden, drongen er toch op aan, met steun van particulieren te trachten de toren te behouden. Maar in de vergadering van 3 maart 1895 moest burgemeester C. Wildschut mededelen, dat wel door particulieren van elders een bedrag van 750 gulden was bijeengebracht, doch dat van de eigen plaatsgenoten voor dit doel weinig was te verwachten. En daarmee was het lot van de toren beslecht.
De vier gevelstenen die de toren eenmaal hebben gesierd, zijn bewaard gebleven en bevinden zich in het museum te Zaandijk. Aan de noordzijde was een steen boven de ingang gemetseld met het beeld van prins Maurits, waarboven nog een steen met diens wapen en de naam Dirck Jacob de Ruiter. Aan de oostelijke gevel prijkte een steen met de Hollandse Tuin, de naam Pieter Cornelisse Oome en het jaartal 1620 en aan de westzijde een steen met het wapen van Wormer, waaronder de naam Willem Gerritse. De eerstgenoemde was in 1620 een der schepenen, de beide laatsten hebben toen de functie van burgemeester bekleed.