Kerkstraat 8: conditin

Oud archief Wormer, toegang 0099, inv.nr. 503



BESTEK en conditin,
waarop Gecommitteerden uit het Gemeente-Bestuur, mitsgaders uit den Kerkenraad der Gereformeerde Gemeente te Wormer, prsenteeren publiek Aantebesteden het maaken van een KERK en TOORN met de Leverantin der daartoe benodigde Materialen, te stellen op de Grond, waar of waaromtrend de oude Kerk is staande, in een Perceel.

Art. I.
Bepaling van 't Werk.
Den Aannemer zal op de gemelde plaats, volgens aanwyzing moeten bouwen, een Steenen Kerk en Houten Toorn, ter lengte van 91 voet en ter breedte van 45 voeten, binnenswerks gemeten, waarin geplaatst moet worden twee Kamers met hunne Zolders, alles in manieren zo als op de tekening is te zien, en in dit bestek breder beschreven staat.

Art. 2.
Het maken der Fondering.
Om de Fondering van dit Gebouw behoorlyk te kunne maken, zal den Aannemer vooraf de noodige ontgravinge moeten doen, en dezelven zo diep laaten graven dat de bovenkant van 't Fondament 8 voet beneden de bovenkant van de drumpel, aan de ooster ingang van de oude Kerk komt te leggen. Hier in te Heyen volgens aanwyzing 244 Juffers, zwaar op de kop 7 8 duim, 78 dito, zwaar op de kop 4 5 duim, lang 30 voet, op deze Juffers te leggen 40 Eeken of Grenen Kespen, zwaar 4 7 duim, lang 3 voet, 52 dito, lang 6 voet, 28 dito, zwaar 4 5 duim, lang 2 Voet, op ieder kop der Juffers met een duim Treknagel te voorzien, op de midden der Kespen te leggen, waar de Buiten-Muuren op komen te staan; Dennen 5 7 duim Schuifribben, met haaklasten op den anderen gewerkt, de midden van 't las op een Kesp te vergaren; de zuid- en noordzyde niet meerder dan in 4 lengtens, de oost en west eindens niet meerder dan in 2 lengtens, de hoeken half op den anderen gekeept, op ieder Kesp met een Grenen 1 duims Treknagel vast te nagelen, ter wederzyden van dezen Schuifribben te leggen Dennen, 4 15 duim, mede niet meerder in de lengte als van de Schuifribben is bepaald, als mede daar de penanten op komen te staan, te sonderen met dito hout en dito zwaarte, breed 3 voet; in 2 of 3 stukken noch te leggen, voor de Binnen-Muuren en Portaal, Dennen 3 22 duim, zoo lang datze tegen de Schuifribben komen aan te leggen.
Doch zo er onder 't werk bevonden wierd er meerder Juffers of Heypalen benodigt waren dan de reeds beschrevenen, zal den Aannemer ten zynen koste moeten leveren en inheyen, en zal daar voor genieten 3:: voor ieder Juffer, insgelyks zullen ook de Heeren Besteders van de bedongene penningen afkorten 3;: voor ieder Juffer dien er minder benodigt mogten zyn.

Art. 3.
Metselwerk.
Op de voors: Fondering aan wederzyde van de Schuifribben te leggen 2 lagen van 1 Mopsteen, waar van de onderste laag de stootvoegen moeten open blyven, vervolgens op te metzelen in Kalkmortel, ter hoogte van 3 voet en ter dikte van 34 Mopsteen, aan wederzyden te versnyden een klazoor ter dikte van 3 Mopsteen, mede ter hoogten als vooren, wederom te versnyden ter dikte van 1 Mopsteen, dezen zo hoog te werken dat 't 1 voet beneden de bovenkant van voorn: drumpel is, de Penanten aan te leggen van 3 en 4 Mopsteen, mede te versnijden als vooren, de Binne-Muuren en Portaal aan te leggen met een droge laag van 2 Mopsteen, verders optewerken, te versnyden, en in de buiten Muuren te verbinden, zoo als hier vooren is omschreven, alles van keurrood Mopsteen, hier verder op te metzelen, in Bastaarde Tras 13 harde lagen, ter dikte zo als 't werk is staande; van harde gryze Klinker-Mop, de Pilaren aan te leggen van 2 Mopsteen, en ter hoogte als eerst gemeld, vervolgens op te halen van Mopsteen als laast gemeld, voorts de binnen Penand of Colom, waar de Predikstoel tegen aan komt staan, aan te leggen als vooren, van 5 Mop, verders op te werken als vooren; die voors: werk zal van tyd tot tyd onder 't opwerken moeten werden aangevult met zuiver Zand, zoo hoog als de binnen en buiten gronden komen te leggen. Verders hier op te Metzelen met walgraauw Mopsteen ter hoogte van 24 voet (uit de laatste versnyding) en ter dikte vaa 2 Mopsteen, met goede spetie, de Penanten ter lood op te werken, ter hoogte van 6 voet, vervolgens langzaam te versnyderen tot 1 en ter breedte van 3 Mopsteen en ter hoogte van de Zy-Muuren is bepaald, op de zuid en noord Muuren als mede te Penanten zuilen de laatste 6 lagen van harde vlakke Klinker-Mop en Bastaarde Tras moeten worden opgewerkt, verders de ooster en wester Gevels op te werken, mede ter dikte van 2 Mopsteen, en ter hoogte volgens tekening, de binnen Penant of Colom boven de Zerken te werken in 't achtkant, ter hoogte en dikte van 3 voet, vervolgens te versnyden op een ronde lyst ter dikte van 3 voet, wederom te versnyden met dito lyst, daar op te metzelen in 't rond ter dikte van 2 voet en ter hoogte van 16 voet, of daaromtrend, hier in te leggen 't behoorlyke Yzer tot steuning van de Predikstoel, als mede 't Yzer waar aan 't klinkbord komt te hangen, de Binnen-Muuren op te werken van keurrood Mopsteen ter dikte van n Steen en ter hoogte van 12 voet; 't Portaal op te metzelen van walgraauw Mopsteen, ter dikte van 1 Steen, ter hoogte volgens tekeningen deze voors: Muuren te stellen de natemeldene Deuren Raam-Cosyns, Balke; blaauwe Sosynse- of Bemtemer-Steen en YzerWerk, dezen voors: Muuren en de wester ingang vol en knap af te voegen, van binnen vol te gooijen en afterapen, de Kamers, Portaal en de Kerk van binnen soo ver 't in 't gezigt komt af te plysteren met fyne Kalk, alles zo als goed werk verist, verders boven de Deur- en Raam-Cosyns te zetten een Strekte Boog van n en n halve Steen.

Art 4.
Steenhouwen
In 't Portaal te leveren als mede in de wester ingang de blaauwe Socynse of Bemtemer Steen: als Duim-, Slot- en Sluiting-Stukken, zwaar 12 14 duim, lang na den eis, 4 dito Drumpels, zwaar 8 14 duim, lang 6 voet, 4 dito, zwaar 4 8 duim, lang 4 voet, als mede 15 Drumpels voor de Glas-Kosynen, zwaar 8 17 duim, lang 5 voet, met zyn vaste Noten, Dookgaten, Sponningen en Waterhol. Een dito zwaar 8 17 duim, lang 7 voet, gewerkt als voren, de oost en west Gevels te dekken met 3 20 duims Legstukken, lang volgens tekening en met Sponningen op den anderen geleit, en met loden houwvasten te voorzien, gelyk mede op de wester Gevel een Dekstuk, zwaar 8 15 duim, lang 14 voet, met een Sponning van 2 duim, de Voor-Muur van 't Portaal te dekken met dito Steen, zwaar 3 16 duim. Alles volgens Tekening.

Art. 5.
't Stellen der Riggels en Doorslagen in de Kerkekamer.
In de Kerkekamer te leggen 2 groote Doorslagen, zwaar 4 7 duim, lang 14 voet, 4 dito Riggels, zwaar 4 6 duim, lang 20 voet, 11 dito Travieljehout, zwaar 5 7 duim, lang 8 voet, 2 dito Strykhouten, zwaar 5 7 duim, lang 5 voet; op deze Riggels te leggen, een Vuuren 1 duims Vloer, gemest, geploegt, geschaaft, digt in den ander gedreven en gespykert na behooren, daar op te stellen 2 groote Deur-Cosyns, zwaar 5 6 duim, hoog 7 voet, wyd 3 voet in den dag, in ieder te stellen een 5/4 duims Vuuren opgeklampte Deur, met Spiegel-Klampen en Ajief in den ander genist, en na behoren met Hangsels en Sluitwerk te voorzien, als mede een Schuif-Cosyn, zwaar 5 7 duim, hoog 7 voet, wyd 6 voet, in den dag, van best Greenen Hout, met een onder en boven Raam, van Eiken Hout, zwaar 2 duim, ieder met 15 Ruiten daar in te stellen, Belegstukken en Luiken van 1 duims Eiken Hout, van buiten opgeleid met 1 duims Klampen en Spiegelklampen, verders met Koorden en Yzeren of Loden Tegenwigten te voorzien, als mede 2 Yzeren Sluitboomen, na behooren.
Nog te leveren en te stellen 2 dito Deur-Cosyns in de Noorder Kamer, als reeds in de Kerkekamer is gemeld.

Art. 6.
Balken en Zolders
Op dezen voorschreven Kamers te leggen 7 Greenen Balken, zwaar 8 10 duim, lang 15 voet, 2 dito Muurplaten, zwaar 3 9 duim, lang 15 voet, dezelven te bezolderen met Vuuren 1 duims Delen, niet meerder dan in twee lengtens, dezelven aan beide zyden geschaaft, geploegt, gemest, digt in den anderen gedreven en gespykert na behoren, als mede de Balken zoo ver dien in 't gezicht komen, te schaven, en verders te voorzien met 't benodigde Travieljehout, voor de Schoorsteen in de Kerkekamer.

Art. 7.
Kerkedeuren.
In 't Portaal en zuider Ingang te maken: 4 halve Deuren van Eiken 1 duim Hout, wyd in de Sponningen 6 voet hoog 9 voet, opgeklampt met dito Klampen en Spiegelklampen, met een Ajief in den ander gewerkt en van boven rond, ieder aan 3 zwaarledige Bogtknieren te hangen, en met benodigde Krukken; Sloten en Sluitwerk te voorzien, gelyk meden voor de wester Ingang 4 dito Deuren, wyd 5 voet hoog 8 voet.

Art 8.
Raamcosyns.
Den Aannemer zal moeten leveren 12 Cosyns met hunne vaste Ramen, de Cosyns van best Greenen Hout, zwaar 6 12 dm. hoog 11 vt. wyd in den dag 3 vt. 't Bovenrond van 3 stukken met Scheden van dito zwaartens, met verw in den andere gesloten en genagelt, daar in te stellen 2 dm. Eiken Ramen, de Steilen 3 en 4 dm. de Onderdrumpel 3 4 dm. en de boven 2 3 dm. de Roeden 1 2 dm. ieder met 36 Ruiten, boven op ieder Raam met 8 9 Ruiten, volgens Tekening nog te leveren 3 dito Cosyns van gelyke zwaarte, ieder met 2 halve Ramen, waarvan de onderste Raam opgeschoven kan werden, tot lugting van de Kerk, dezelven met Loden of Yzere Tegenwigten te voorzien, deze 3 laatsten te voorzien met Grenen 1 dm. Belegstukken en de Ramen met behoorlyke sluiting, verders in de Gevelmuuren, 2 ronde Cosyns over zyn Diameter 2 vt. in den dag zwaar 4 10 dm. van best Greenen Hout, daar in te maken een Kruis van Eiken, 1 dm. Roeden, nog 2 Cosyns van Grenen Hout, zwaar 4 6 dm. ieder met 1 Raam van 2 dm. Eiken Hout, daar in te plaatsen in ieder 12 Ruiten, en van binnen met 1 Vuuren 1 dm Luik te voorzien, ter hoogte en wydte van 3 vt. in den dag. Deze voors: Cosyns en Ramen te maken en te stellen, zo als den Aannemer zal werden aangewezen.

Art. 9.
Binten en Schotwerk.
Boven 't voorsz. Zolder volgens Art. 6. te stellen: 2 Binten van goed Grenen Hout, zwaar 13 16 dm. lang 48 vt. de Steilen hoog 13 vt. in ieder 2 Karbiels, lang op tand 8 vt alles van gelyke zwaarten, het eenen Bint te stellen 5/4 dm van de wester Muur en het andere 5/4 dm. binnen de buitenkant van de Binnenmuur dezelven te voorzien met 1 Eiken 4 13 dms stuk lang 9 vt. als mede 7 Grenen Balken van dito zwaarte en lengte, mede onder ieder end te voorzien met 1 Eiken Stuk, zwaar 4 13 dm. lang 6 vt dezen Binten en Balken te voorzien met Ankers en Bouten, hier nader te melden in Art 16 in 't ooster Bint te sluiten 6 Grenen Steilen, zwaar 4 6 dm. lang 12 13 vt., in dezelven te kepen 3 Riggels, zwaar 3 4 dm. lang 45 vt. in 2 lengtens, hetzelven te Beschotten met 5/4 dm. Vuuren Deelen, geploegt gemest, en aan beide zyde geschaaft, verders digt gedreven en na behoren gespykert, gelyk mede 't bovenste gedeelte tot aan 't Gewulffc toe te besteilen, riggelen en te beschotten als vooren, verders deze Binten te bezolderen met Vuuren 1 dm. Deelen als voren, deze voorsz. Zolders te voorzien met 1 Luik, met behoorlijke Klampen en Hengsels.

Art. 10.
Muurplaten.
Op ieder Zydelmuur te leggen een Grenen 5 22 dm. Muurplaat lang 92 vt. niet meerder dan in 5 lengtens, dezelven met Haaklassen van 5 vt. lang, in den ander gewerkt en met zwaluwen in de Binten en Balken geleid en op dezelven vast te nagelen, verders de lassen goed en suffisant te Spykeren, daar tegen aanteleggen een Lyst, zwaar 4 5 dm. volgens Tekening, nog op de Muuren van 't Portaal te leggen 2 Muurplaten, zwaar 2 14 dm. lang 8 9 vt.

Art. 11.
Spanten en Kapbinten.
Op deze voorsz. Muurplaten te stellen 3 Grenen Kapbinten, hoog op ter Lood 13 vt., zwaar 13 16 dm de Karbiels lang op tand 12 vt, 12 dito Dennen, zwaar 8 13 dm. ieder met een Karbiel als voren, op deze Kapbinten te leggen 2 Dennen 4 12 dm. Wurmte, met Haaklassen lang 3 vt. op den anderen gewerkt, niet meerder dan in 5 lengtens, op deze Wurmte te zetten 4 Grenen Spantpoten zwaar 5 7 dm., nog in 't vierkant ter wederzyde te kepen 1 Grenen 4 7 dm. schuin gewerkt, om 't Dak 'er behoorlyk op te kunnen leggen, verders te leveren en te maken 13 Spanten van Dennen Hout, zwaar 5 7 dm. hoog op ter Loot 16 vt. ieder met een Hanebalk van dito zwaarte, alles volgens Tekening. Noch in deze voorsz. Kapbinten te voorzien met Eiken Krommers, zwaar 4 4 dm. ieder niet meerder dan van 4 stukken.

Art. 12.
Dakriggels en Dak.
Onder aan de voet van de Kapbinten te leggen ter wederzyden 1 Grenen 3 8 dm schuin gewerkt en 2/3 uit de Kapbinten en 1/3 uit de Rib gekeept, dan te leggen aan wederzyden 7 Dennen 3 4 dm. Dakriggels met kepen en Voorloeven in 't verbandt geleid, noch te leggen 1 Grenen Nok zwaar 4 4 dm. met Haaklassen van 2 vt. in den ander geleid, deze Dakrigsels en Nok niet meerder dan in 5 lengtens, verders hier op te liggen 1 Dennen 5/4 12 dm. Dak in 2 lengtens met 4 dm. Lassen op den andere gewerkt, geploegt, gemest, en met Waterhollen gewerkt, en de naden met Vuuren 1 3 dm. Tingels te beleggen, alles suffisent op de Riggels, &c te spykeren, dan hetzelve te belatten met Grenen 1 2 dm. Panlatten en in 't verband geleid, niet wyder van den ander dan 1 vt en op ieder Tingel met 2 Drielings gespykert, de onderste een Grenen 2 3 dm., met Lassen op den anderen geleid, gelyk mede 't Portaal de dekken met 5/4 dm. Dennen Delen, dezelven van onderen te schaven gelyk mede de Spanten Dakriggels en Muurplaten verders te belatten, &c. als vooren.

Art. 13.
Tooren.
De Aanneemer zal op de voorsz. Kapbinten moeten leggen 2 gr. 9 18 dm. lang 14 vt. Op deze slukken te zetten 4 Steilen of 2 Binten, ieder Styl met een Krambout van l dm. lang 5 vt. dien doos Kapbint en Stuk gewerkt, en in ieder Styl met 3 Krammen vast gekrampt, de Binten zwaar 12 22 dm. hoog 32 vt., dan in ieder Bint te sluiten 4 Laag Balken, zwaar 12 12 dm. lang 12 vt, nog te leggen met Zwaluwe lippen en voorloeren 8 dito Balken, lang 12 vt., dan in de Steilen te leggen, inkepen of voorloeren, gr. 3 12 dm. op 't dak neergezet, vervolgens nog in deze Binten te sluiten en met zwaluwen of lippen daar in te kepen 6 Karbiels, zwaar 12 12 lang op de tand 5 vt., boven 8 dito als vooren, lang op de tand 4 en 3 vt. op deze Balken met lippen en voorloeren te leggen 7 gr. 6 8 dm. Zolderbalken, lang 12 vt, nog in dezen in 't vierkant om te voorzien met 8 dubbelde Kruisebanden, zwaar 5 7 dm lang na den eis in dit voorsz. vierkant te zetten een Stoel, zwaar 6 6 dm lang 17 vt. denzelven te voorzien met 8 enkelde Kruisen, zwaar 4 6 dm, op deze Stoel te sluiten 2 Eiken 6 8 dm lang 12 vt., noch te leggen 8 Riggels, zwaar 5 7 dm. lang 12 vt, daar deze Eiken 6 8 dm in verbonden moeten worden, dan op dezelven te sluiten een Stoel van dito zwaarte, aan ieder zyde te voorzien mee een Kruiseband, zwaar 4 6 dm zo wyt dat de Klok daar behoorlyk in kan hangen, al 't voorsz. van goed Greenen en Eiken Hout, zonder kwaad spint en kwade kwasten, alles wel vast gespykert en genagelt na behoren. Dit voorsz. vierkant te bezolderen met 2 Zolders van Vuuren 1 dm. Deelen, als mede 't bovenste Zolder van Grenen 2 dm Deelen, geploegt, gemest en alles geschaaft en vastgespykert na behoren, en verders met de nodige Luiken te voorzien.

Art. 14.
't Digtmaken van 't Vierkant.
In dit voorsz. vierkant te stellen op ieder Zolder een Cosyn, dewelken in Art. 8. zyn gemeld; verders te beschotten met Grenen 1 dm. Deelen in n lengte, dan op ieder hoek 2 Pilasters van Grenen 2 12 dm. Vervolgens op ieder kant te leggen de Lysten waarin de Uurwyzers kunnen ronddraaijen. Voorts om in 't vierkant genist een Lyst van Grenen Hout, zo als den Aanneemer zal werden geordineert.

Art. 15.
De Spits en 't Digtmaken.
Op 't vierkant te kepen 4 Zwaartstukken, zwaar 4 12 dm. Een dito Riggel, zwaar 6 8 dm. lang 12 vt. Op deze stukken te zetten 8 Steilen, een dito Koning zwaar 6 6 dm. ieder Styl met een Krambout door de balk gewerkt, ieder met 4 Krammen in de Stylen, de Bouten zwaar 1 dm. lang 3 vt., de Spits hoog uit 't Vierkant tot den Appel 35 vt., in de Koning te sluiten 32 Koppelhouten, met pennen en gaten in de Stylen gesloten zwaar 4 4 en 4 6 dm., lang na den eis; nog te zetten 12 Krommers en 8 dito Riggels, zwaar 4 5 dm. lang na den eis, dezelven te beschotten met Grenen 5/4 dm, beschot in 't achtkant om, hetzelven geploegt en gemest en met een Rabat gewerkt, geschaaft en gespykert na behoren, en ieder kant met 2 Yzeren Haken te voorzien.

Art. 16.
Yzer en Lood.
Vervolgens ieder Hoek te bekleeden, met 5 Lood ter breedte van 4 dm. het boven einde geheel met 5 Lood te bekleeden, zo dat 't vt. beneden 't Kruys komt te leggen, dan op de Spits te zetten, een Yzere Kruys zwaar 2 2 dm. onder met 8 Takken lang 6 vt. om deze Takken te leggen 3 achtkante Kuipbanden, zwaar 2 dm. den Appel met een lidt groot 18 dm. daar op te zetten n Haan, alles volgens teekening, nog te leveren 37 Ankers, ter lengte van 3 vt. zwaar l dm., de Schotel 4 vt., 36 Bouwten zwaar 1 1 dm. lang 20 dm.

Art. 17.
Goten en Lood.
Verders te leveren en te leggen, 2 gr. Goten, zwaar 8 10 dm. lang 93 vt. ieder in 2 lengtens, van buiten met een scheppent Hol en quart rond gewerkt, dezelven te voorzien met 6 Lood, zo breed dat het tegen 't Dak komt te leggen, en een dm. over de Goten, waarvan alvorens een stuk Lood moet worden gelegt, dat onder 't Dak komt te leggen, en in de Goten gespykert ter breedte van 1 vt. vervolgens dezen Goten te dekken met Greenen 1 dm. Delen en Legribjes, verders met Krammen en Schotels te voorzien voor 't afwaien, voorts op ieder hoek der Kerk, (of waar de Heren Besteders 't zullen ordoneren,) de uitwaterings Pypen van 5 Lood wyd 3 dm. digt te zoldeeren en met behorelyke Veren te voorzien, dezelven te bedekken met Pompen van 5/4 dm. Greenen Hout, de Kap van de Kerk tegen aan de Oostermuur te voorzien met 5 Lood, zo breed dat 't 3 dm. onder de Dekstukken en de halve Pan komt te leggen, de naden vt. over den ander, zo mede aan de Westergevel als van den Ooster is omschreeven, verders de Toorn om te voorzien van gelyk Lood, dat het zelven vt. hoog agter 't Schot komt te staan, en op de halve Pannen komt te leggen, dat 't voor inwatering is bevryd, zo mede 't Portaal te voorzien met 2 Greenen uitwaterende Goten, zwaar 4 6 dm lang 8 vt., dezelven te voorzien met Gootyzers en lange Pompen, zwaar 5/4 dm. Greenen Hout, vervolgens te stellen aan wederzyde van 't Portaal, als mede aan de Westeringang, een behoorlyke Stenen Waterbakje, met een gemesselt Pompje van Mop, voorts 't Portaal van boven te voorzien met 5 Lood, zo aan de Voorgevel als aan de Kerkenmuur, 't laast genoemd by 't opwerken in de Kerkenmuur geleit ter breedte van Steen, en het eerstgenoemde 3 dm. onder de Dekstukken van 't Spiesje, beide zo breet dat het op de halve Pan komt te leggen, en voor inwatering is bevryd.

Art. 18.
Pannen en Lood.
De Kap van de Kerk en Portaal te dekken en herdekken, met beste blaauwe Woerdse of Rynse Pannen, als mede de Vorsten te dekken met 6 Lood, en zodanig te voorzien, dat er geen lekkagie (ofte enig gevogelte) plaats kan grypen.

Art. 29.
Binnenwerk.
De Noorderkamer behoorlyk aan te vullen met zuyver Zand, en te bestraaten met beste Vriese Klinkers op zyn Kant; daar verder in te stellen een Trap, de Kwartierboomen, zwaar 4 6 dm wyd in den dag 2 vt. de treden zwaar 2 dm. dezelven te beschieten met 5/4 dm. Vuuren Deelen, de Riggels zwaar 2 3 dm., als mede daar in te stellen 2 Leuningen zwaar 2 3 duim; op 't Orgel Zolder te stellen een dito Trap zwaar als vooren, daar aan te verbinden een Leuning met 3 Steilen daarin gesloten, zwaar 3 4 dm, nog een dito als vooren, dan op de voorsz. Kapbinten te leggen een Vuuren 1 duims Zolder, geploegt, gemest, geschaaft, digt gedreven en gespykert, ter lengte van 15 vt. en ter gehelen breedte, daarmede in te maken een behoorlyk Luik als vooren; op deze Zolder te zetten een Trap zwaar 3 4 dm. om in de Kap van de Kerk te komen, in dezelve Kap te leggen 5 Grenen 2 11 dm Oosterse Deelen, ter lengte van de gehelen Kap; nog in de Tooren te stellen 3 Trappen zwaar 4 5 dm. met Treden van 1 dm; alle de voorschreven Trappen met een Optr van 9 dm. Verders hier in te stellen het Uurwerk en de Klok, waar nader van in Art 24 gemeld zal werden; verders 't bovenste Zolder te bedekken met 6 Lood, de kanten op te zetten ten hoogte van 4 dm., het Luik zodanig te voorzien als mede de Uitwatering dat 't water niet beneden in de Tooren kan komen, alles zo als goed werk vereischt, als mede in de Kerkekamer te leveren en te maken, een Utrechtsche Schoorteen met zyn Bordielje Mantel, dezelven te stellen met zyn behoorlyke Yzers en Schroeven, wyd buitens werk, niet minder dan 5 vt. hoog op de Neuten en Pilasters, 4 vt gelyk mede de zy en achter Plaaten van Gegoten Yzer, ter hoogte van 4 vt de Kolkplaat, breed 4 vt. lang 5 vt. daar in te leveren 2 behoorlyke Asgaaten en Kolkgat, met zyn Rooster, daar onder te maken een gewulfde Kolk, ter behoorlyke diepte, lang 7 vt. wyd 5 vt verders aan te Graferen ter lengte en breedte van de Plaat; voords om de Plaat te leggen een Haardbant van Marmeren Tegels, van 1 vt vierkant vervolgens de Schoorsteen op te werken van Goudse Bovensteen, ter hoogte van 't Dak, daar in te maaken de benodigde gaten, om dezelven te kunnen vegen en schoonmaken, van onder in de Kamer, dezelve Afrapen en af te Plysteren, gelyk van de Muuren is omschreven, verder van binnen vol te goijen en af te kwasten, en boven op de Zolders af te voegen, hier verder op te zetten, een Pyp lang 6 vt. boven 't Dak van Rynse grauwe Steen, ter wyte van Steen buitens werk, dezelve te voorzien met 4 Lood, vol en gnap af te voegen, zo als goed werk vereist.

Art. 20.
Beschiesel van binnen en Gewulft.
De Aarmeemer zal binnen in de Kerk in de Muuren moeten leggen, 3 Ribben boven den ander ter lengte en breedte van de Kerk, zwaar 3 4 dm. Grenen Hout, hier aan te leveren en te maken 't benodigde dm. Eiken Schothout, glad geschaaft en goed gespykert, ter hoogte van 7 vt. daar boven een dito Lyst, breed 9 dm. en diep 4 dm. verders 't Gewulft te voorzien met 1 dms. Vuuren Deelen, in 4 lengtens geploegt, gemest, en glad geschaaft, en goed vastgespykert na behoren, dan over de naden als ook in de verdeeling te leggen, na 't beloop van 't gewulft, lysten of dekstukken, een dito zo lang 't gewulft is, ter breedte van 6 dm., op ieder Nis, waar de Yzers van de Kronen door komen te steken, een Roos, waarvan 't model, als mede van de Lysten, den Aanneemer ter hand zal worden gesteld.

Art. 21.
Graven en Banken.
Eindelyk zal den Aanneemer de Grond van de Kerk moeten verhogen met zuiver Zand, de Zarken moeten leggen, de Banken, Doophek, Predikstoel, Klinkbord, Orgel, en 't geen verder tot dat geene gehoord, moeten plaatse, zo hem door de Heere Besteders zal worden aangewezen.

Art. 22.
Verwen en Glasemaken.
De Aanneemer is gehouden, eerst de Ramen te grondverwen, en dan in dezelven te zetten best Boheems Glas, en bhoorlyk van binnen en buiten te voorzien met goede Stokverf, vervolgens alle Cosyns en Houtwerk buiten aan de Kerk, benevens de Tooren, tweemaal te grondverwen, en dan met goed Spaans- of Vries-groen, 't zelven na behoren op te schilderen, de Wyzers en Letters, benevens de Ronde, Haan en Appel, met Ducaten-goud te vergulden, 't Kruis eerst met Meenie, en nader met zwarte Verf, de Tooren van binnen, waar de Klok komt te hangen, met gemeen Blaaw, 't Gewulft, de Ramen, Cosyns, en 't Schot by de Orgel, zal eerst moeten gelymt worden, en dan tweemaal te gronden; de Spykergaten, als mede de Warren te stoppen en dan vervolgens te schilderen in dezer voegen, 't Gewulft, benevens 't Schot by de Orgel, by wyze van stukadoor, de Ramen en Cosyns mede wit, de Deuren allen Blank- of nieuw Ykenhoutkleur, en over dezelven een goede Vernis of Lak.

Art. 23.
Buitenmuur en Secreet.
Vervolgens te maken een Secreet ter breedte van 8 vt. en ter diepte van 4 vt. binnenswerks, een steens Middelmuurtje, hier onder te heijen 32 Sparren, lang 20 24 vt., hier op te leggen een dubbel Fondament, zwaar 2 en 1 12 dm. wel op den andere genagelt, zo diep dat 't een voet beneden 't zomerpyl komt te leggen, daar op te metselen in basterde Tras en ter dikte van 1 Rynse steen, onder de Middelmuur, ter dikte van een steen, hoog 2 vt, vervolgens op te werken ter hoogte van 7 vt boven de straat van 't Kerkpad, van een steen dikte, en de Middelmuur van 1 steen, hier in te maken een dubbeld Deur-Cosyn van 4 5 dm Grenen Hout met geklamte Deuren, goed afgehangen en met Sluitwerk te voorzien, van boven met Pannen en Dak digt te maken, als mede met behoorlyke Zitting en 1 dms Grenen Vloer, verders de Zuidmuur van 't Ooster Kerkhof af te breken en op te metselen met basterde Tras, als mede de Muuren van de Oude Kerk, zo ver dien blyven staan, op te gnappen en in order brengen, zo als dit een en ander 3 dagen voor den dag der besteeding zal werden aangewezen.

Art. 24.
Uit en Afhalen van de Oude Kerk.
De Klok waarvan in Art. 19. is gemeld, zal den Aannemer op de grond by de Kerk geleverd worden, maar 't Uurwerk en den Orgel zal den Aannemer voor zyn rekening er uit moeten nemen, en beiden in de besten order laten brengen, de Banken, Predikstoel, &c. volgens Art. 21. zal den Aanneemer mede uit de Kerk moeteh haalen, en bezorgen ter plaatsen daar de Heeren Besteders zulks zoude verkiezen, (zoo kort by de Kerk mogelyk,) de Banken te maaken na behooren, zo als zulks zal werden aangewezen, gelyk meede de Kroonen er uit te nemen en in de nieuwe Kerk te hangen, alzo ook beide de Hanen van de oude Toorens af te nemen, waar van een door de Heeren Besteeders ter hand zal werden gesteld aan den Aanneemer om dezelven op de nieuwe Toren te plaatsen.
Tot dit boven staanden er uit en aftehaalen, zal den Aanneemer de tyd van 14 dagen vergund worden, na de eerste waarschuwing, en blyft verder voor rekening en perikel van den Aanneemer, dien van zyn bedongen penningen zal afgekort worden, de schaden welke door zyn verzuim daar op mogte komen.

Art. 25.
Keure der Materialen.
Alle Matrialen en Gereedschappen, tot opmaking van dit werk benodigt zal den aannemer ten zynen kosten op en by 't werk moeten leveren (waartoe hem een behoorlyke plaats zal werden aangewezen) en zullen dezelven de beste in hun soort moeten zyn, alle het Hout gezond en gaaf zonder eenig gebrek, en zal het Hout tot de beschieting ten minsten een jaar gezaagt ter uitdroging moeten gelegen hebben, en ook zo veel mogelyk droog bewaard en verwerkt worden.
De Stenen alles volgens monster.
De Kalk moet wezen Luikse Steenkalk en Swartstuiser, of Rynse Schulpkalk.
De Tras tot Dordrecht gemalen en gekeurt.
't Zant zuiver en scherp.
Het Yzer, Lood en verders alle 't geen hier meerder benodigt mogt wezen, van een goede qualiteit, zullende alle dezen Materialen alvoorens te verwerken door den Opzigter werden gekeurt, en moeten de afgekeurde terstond van 't werk gevoerd worden, en by aldien bevonden wierd dat van dezelven na de afkeuring waren verwerkt, zal voor ieder rys, dat zulks ontdekt wierde, een somma van 50 Guldens van zyn bedongen loon werden afgekort.

Art. 26.
Beryden der Kalk.
De Kalkmortel waar mede de muuren op 't Fondament ter hoogte van 1 vt. beneden de bovenkant van gemelde Drumpel moet gemetzelt worden, zal bestaan uit 3 deel en Kalk en 1 deel Zant.
De basterde Tras tot de harde lagen, zal bestaan in 6 deelen Kalk en 3 delen Tras.
De Spetie tot de Buitenmuuren zal moeten zyn 4 deelen Kalk en 1 deel Tras.
En tot de Binnenmuuren en Schoorsteen, 6 deelen Kalk en 4 deelen Zant.
Al dit voorschreven ieder in zyn soort eerst droog onder elkander te mengen en verders te bewerken zo zulks behoort, de basterde Tras en Spetie zal den derde dag na dat dezelven wel is doorgewerkt, verwerkt moeten worden, om dit werk behoorlyk te kunnen verrigten, en de Kalk en Tras droog te kunnen bergen, zal den Aannemer vooraf moeten plaatsen ten zyne kosten 1 Loots of Kalkhok, zoo groot, dat er een behoorelyke quantiteit in geborgen kan worden, waartoe hem de plaats zal werden aangewezen, doch blyft na 't werk is afgelopen in eigendom van den Aannemer, dien gehouden zal zyn hetzelven weg te halen, binnen 8 dagen, na 't eindigen van 't werk.

Art. 27.
Maten.
De Generale Maat in dit bedek bedoeld wordende, is de ordinaire Alkmaarder maat, van 12 duim in de voet.

Art. 28.
Authoriteit des Opzigters.
De Aannemer zal moeten bedagt wezen dat alle het voorsz. werk ieder in zyn soort na den eis van 't zelven zal moeten bewerkt worden, en zal hy in manier van bewerking, overeenkomstig dit bestek zig moeten gedragen na de orders van dien genen, welke tot de Directie of Opzigt zullen zyn gequalificeert, zonder daar iets tegen te doen, of te gedogen, dat door zyn arbeiders gedaan worden, op verbeurten van 25 Guldens, zo dikwils daar tegen gedaan wierd, boven n behalven de herstelling van het kwalyk gedanen werk en in gevallen hy Aanneemer mogte sustineren dat in dit Bestek eenige duisterheden gevonden wierden, waaromtrent de meening niet klaar en duidelyk genoeg was uitgedrukt, of door den Aanneemer niet word verstaan, zo behouden de Aanbesteeders de uitlegging van dien aan zigzelven.

Art. 29.
Verandering of Byvoeging.
Indien men onder de bewerking bevond dat aan 't werk eenige verandering of byvoeging behoorden gedaan te worden, het welk men niet hadden voorzien, nog in dit Bestek ware beschreven, zal hy Aanneemer nogtans verpligt zyn, zulks op de eerste aanzegging te doen maken, zonder daarvoor eenige beloningen boven zyn bedonge penningen te mogen pretendeeren, doch in geval zulks meerder mogte bedragen dan een somma van 150: in 't geheel, zal hem de resterende kosten na billykheid worden te goed gedaan.

Art. 30.
Tyd van Begin en Oplevering.
De Aanneemer zal uiterlyk binnen den tyd van 8 dagen na dat het hem door de Aanbesteeders werd aangezegt, een begin moeten maken aan dit zyn werk, en continueel daar aan blyven werken met een genoegzaam getal Arbyders en Materialen, zo dat hy in staat zal zyn, hetzelve behoorlyk afgemaakt te kunnen opleveren op of voor 10 Maanden, na dat hy voor de eerstemaal is gewaarschouwt een begin te moeten maken, op verbeurten van vyf Guldens ieder dag nawerkens. En zullen alle rampen of tegenspoeden, welke aan of betrekkelyk dit Werk kwamen voor te vallen, tot den tyd der opneeminge toe, zyn en blyven voor rekening van den Aanneemer, welke opneeming zal geschieden uiterlyk binnen 8 dagen na dat 't Werk, overeenkomstig dit Bestek, afgemaakt, en als zodanig behoorlyk aangegeven zal zyn.

Art. 31.
Manier van Besteeding.
De besteding van dit Werk met de Leverantie der Materialen en Arbydslonen, zal geschieden in enen Massa, en zulks eerst by Inschryving met beslooten Briefjes, en zal de minst Schryvende tot trekgeld genieten, zo veel als by het doen der Aanbesteding alvoorens zal worden gepresenteerd, daarna zal men het Werk wederom Opveilen van lager zommen, en dien dan eerst Mynt zal Aannemer zyn, en terstond by den aanneming moeten stellen, twee Suffianten Borgen, ten genoegen van de Aanbesteders, welke Borgen zig een voor allen, en alle vooreen, als Principaal aannemer, by ondertekening van dit bestek zullen verbinden, onder afstand van de beneficien van orde of verdelingen, en alle andere uitvlugten, dezes eenigzints Contrarirenden; en behouden de Besteeders het vermoogen aan zig, om het Werk te gunnen aan wien het hun gelieven zal, of schoon een ander minder Ingeschreeven, of lager Gemeynd had, zullende egter in sodanig geval gehouden zyn aan de minst Ingeschreevene of laagst gemynd hebbende Vyftig Gulden tot Prmie te betaalen.

Art. 32.
De Betaling.
De betaling zal geschieden door de Heeren Besteders, en zulks in drie Termynen, namentlyk een derde gedeelte, wanneer de Muuren zo hoog zyn Gemetzelt, dat de 13 harde lagen er op zyn, de twede gedeelte wanneer de Kerk en Toorn van buiten zyn digt gemaakt, de derde of laatste gedeelte, wanneer 't Werk volkomen afgemaakt, en door of van wegens de Aanbesteders, en opgenomen en goedgekeurt zal zyn.

Art. 33.
Deeze Besteeding geschied onder deeze speciale bepalinge, dat de Besteedera aan zig reserveeren den tyd van drie Maanden, te reekenen van den dag der Besteeding en Aanneeming, om dezelve Aanbesteeding en Aanneeming effect te doen hebben, dan niet, zullende binnen dien tyd, daarvan aan den Aanneemer behoorlyke kennisse worden gegeeven, en wanneer voorsz. Aanbesteeders mogten goedvinden het werk niet te gunnen; zullem zy gehouden zyn dezelven tot een prmie te betaalen 25: zonder meer, waarmeede dan ook alle engagementen cesseeren.

Art. 34.
Questien of differenten in het Veylen, Bieden of Afslaan ontstaande, of dat twee of meer te gelyk booden of mynden, zal den Schout de decisie daarvan hebben.

Art. 35.
Eindelyk worden de Aanneemers en Borgen verstaan, tot naarkoominge deezer Conditin en Voorwaarden te verbinden derzelver Persoonen en Goederen, die stellende ter bedwange als na rechten, en specialyk aan de Judicateure van het Hoog Nationaal Gerechtshof van Koningryk Holland, te vreden zynde omme zig in den Innehoude en tot Prstatie deezes by het welgen: Hoog Nationaal Gerechtshof, vrywillig te doen n laten Condemneeren, Constitueerende ten dien einde twee der respective Procureurs, postuleerende voor het voorsz. Hof, zoo omme de Condemnatie te verzoeken als daar inne te confenteeren respective.